Nieuws:

Eindejaarstips 2022 voor elke ondernemer!

eindejaarstips 2022

Zoals je ieder jaar van ons kunt verwachten hebben wij ook dit jaar de eindejaarstips in kaart gebracht. Een jaarlijkse mededeling met allerlei belangrijke zaken voor elke ondernemer. Administratief goed voorbereid het nieuwe jaar in? Deze tips zorgen ervoor dat je helemaal op de hoogte bent. 

De tabelcorrectiefactor voor 2023 bedraagt 1,063.

Dat betekent dat de bedragen in de fiscale wetgeving met 6,3 % worden geïndexeerd, tenzij beleidsmatig anders is bepaald.

Bijvoorbeeld: het DGA loon bedraagt voor 2022 € 48.000. Voor 2023 wordt het DGA loon € 51.000.

Het tarief in box 1 voor 2023 wordt tot een belastbaar inkomen van € 73.031 36,93 %. Inkomen boven € 73.031 wordt belast tegen 49,5 %.
De fiscale aftrekposten zijn aftrek tegen het basistarief van 36,93 % m.u.v. lijfrente en premie arbeidsongeschiktheidsverzekeringen.

Iedereen die in Nederland woont krijgt in beginsel de algemene heffingskorting. De hoogte van deze heffingskorting en de afbouw hiervan is gebaseerd op het inkomen in box 1. Vanaf 2025 wordt de algemene heffingskorting gebaseerd op het verzamelinkomen uit box 1, 2 en 3.

IB-ondernemers en DGA zijn inkomensafhankelijke ZVW verschuldigd. In 2023 wordt het percentage verlaagd naar 5,43 % ( 2022: 5,50%). Daar en tegen wordt het maximale premie inkomen verhoogd van € 59.709 in 2022 naar € 66.952. De maximale premie wordt hierdoor € 3.635 (2022: € 3.284)

Dividendbelasting box 2

Het percentage voor de verschuldigde dividendbelasting in box 2 bedraagt sinds 2021 26,9 %. Dat blijft voor het jaar 2023 ongewijzigd. Met ingang van 2024 wordt het percentage gedifferentieerd.

Dividenduitkering tot € 67.000 per persoon wordt belast tegen 24,5 %. Daarboven wordt het percentage 31 %.

Vanaf 1 januari 2023 wordt het doteren aan de fiscale oudedagsreserve afgeschaft. Dat betekent dat in het fiscale jaar 2022 voor het laatst kan worden gedoteerd. De reeds gevormde reserve blijft op de balans staan en zal volgens de reguliere wetgeving worden afgewikkeld.
Als u nu nog geen FOR heeft op de balans, kunt u overwegen om dat als nog te doen in 2022 om later de stakingsaftrek van € 3.630 te kunnen benutten.

De middeling wordt per 1 januari 2023 afgeschaft. Laatste middelingstijdvak wordt 2022 – 2023 – 2024.

Gebruikelijk loon DGA stijgt in 2023 naar € 51.000.

Het standaardbedrag voor het gebruikelijk loon van een directeur-grootaandeelhouder (DGA) komt in 2023 uit op € 51.000. Dat is na jaren van gematigde stijging een flinke verhoging, want in 2022 is het standaardbedrag nog € 48.000.

Een DGA is directeur van zijn bv én werknemer van zijn bv. Om te voorkomen dat een DGA zichzelf maar een schijntje als loon uitkeert, staat het gebruikelijk loon in de wet. Daardoor moet een DGA in de loonaangifte een salaris opgeven dat gebruikelijk is voor zijn werkzaamheden.

Het gebruikelijk loon is volgens de nu geldende regels het hoogste van deze drie bedragen:

  • 75% het loon van een werknemer in de ‘meest vergelijkbare dienstbetrekking’ (hier speelt nu nog de doelmatigheidsmarge, zie onderaan dit bericht);
  • het loon van de meestverdienende werknemer van de bv of van een verbonden vennootschap;
  • € 48.000 (het standaardbedrag voor 2022).

 

Gebruikelijk loon relatief hard omhoog

Het standaardbedrag voor het gebruikelijk loon is de afgelopen jaren gelijk gebleven of met € 1.000 opgehoogd. Maar in 2023 gaat het dus relatief hard, met een stijging van € 48.000 naar € 51.000.

Naast de stijging van het standaardbedrag staat er nog een belangrijke verandering in de gebruikelijk loonregeling op stapel voor 2023. Zoals gezegd mag een DGA nu nog 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking als gebruikelijk loon hanteren. Die 75% staat bekend als de doelmatigheidsmarge. Maar deze marge verdwijnt met ingang van 2023.

DGA die nu gebruikmaken van deze marge zullen dus over 2023 een hoger loon moeten hanteren voor de aangifte. Niet 75%, maar 100% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking. Dit betekent dus dat zij meer belasting moeten gaan betalen.

Het algemene tarief voor de overdrachtsbelasting gaat van 8 % (2022)  naar 10,4 % in 2023.

Vrijstelling voor BPM voor bestelauto’s voor ondernemers wordt afgeschaft met ingang van 2025. Btw-ondernemers die een bestelauto minstens 10% zakelijk gebruiken, hebben bij aanschaf van een bestelauto recht op vrijstelling van bpm. Dat scheelt fors qua investering. Dit voordeel verdwijnt met ingang van 2025. Vanaf 2025 zullen ondernemers dus ook bpm gaan betalen bij de aanschaf van bestelauto’s. Daarbij zal de grondslag – net zoals bij personenauto’s – afhankelijk zijn van de CO2-uitstoot. Tip! Voor veel ondernemers is de aanschaf van een bestelauto een grote uitgave. In de financiële planning kan het daarom raadzaam zijn de aanschaf niet in 2025 of later te doen, maar naar voren te halen

De onbelaste reiskostenvergoeding wordt verhoogd. Sinds 2006 bedraagt deze € 0,19 per kilometer.

Vanaf 2023 wordt de vergoeding € 0,21 en vanaf 2024 € 0,22 p/km.

De vrije ruimte in de werkkostenregeling bedraagt dit jaar 1,7 % tot een loonsom van € 400.000 en 1,18% over het meerdere.

Het percentage tot een loonsom van € 400.000 wordt in 2023 weer verhoogd naar 3 %. Gebruik de vrije ruimte dus zo mogelijk nog dit jaar, want ongebruikte vrije ruimte kunt u niet doorschuiven naar 2023.

Het tarief in de vennootschapsbelasting bedraagt in 2022 15% tot een winst van € 395.000. Volgend jaar geldt het tarief van de eerste schijf naar 19 %, maar dan tot een winst van € 200.000.  Boven genoemde winsten bedraagt het tarief 25,8%.

Bezit u meerdere bv’s, dan kunt u via een fiscale eenheid winsten en verliezen onderling verrekenen. Tegenover dit voordeel staat het nadeel dat u slechts één keer van de lage tariefschijf profiteert. Heroverweeg daarom uw fiscale eenheid en ontbind deze tijdig indien gewenst. Als u de verbreking per 2023 wilt realiseren, moet het verzoek hiertoe vóór 1 januari 2023 zijn ontvangen door de Belastingdienst.

Financiën gaat het excessief lenen bij de eigen BV stevig aanpakken. De regeling is wel met e1 jaar uitgesteld. En zal voor het eerst getoetst worden op de standen per 31 december 2023. De DGA die een schuld heeft bij zijn BV van meer dan € 700.000 moet over dat meerdere direct met de fiscus afrekenen, in box 2 tegen het aanmerkelijk belang-tarief. Eigenwoningschulden worden daarbij buiten beschouwing gelaten. Dat geldt niet alleen voor bestaande eigenwoningschulden, maar ook voor nieuwe gevallen. De toegestane limiet van de eigenwoningschuld plus € 700.000 geldt overigens voor de DGA én zijn partner gezamenlijk.

Veel directeuren-grootaandeelhouders lenen grote bedragen van hun eigen BV, met name om in privé te beleggen.

De maatregel treedt in werking op 1 januari 2023.

Als peildatum geldt dan 31 december 2023, waardoor het box 2-voordeel per 31 december 2023 als inkomen uit AB in de aangifte moet worden opgenomen. De datum van inwerkingtreding geeft aanmerkelijk-aandeelhouders tot 31 december 2023 de mogelijkheid om uw schuldenpositie terug te brengen tot ten hoogste € 700.000.

De afbouw van de zelfstandigenaftrek gaat de komende jaren gestaag door.

Nu is dit belastingvoordeel voor onder meer zzp’ers nog € 6.310, maar in 2027 is daar nog maar € 900 van over.

Een ondernemer voor de inkomstenbelasting komt in aanmerking voor de zelfstandigenaftrek als hij aan het urencriterium voldoet. Daarvoor moet een zelfstandige normaliter 1.225 uur per jaar aan zijn onderneming besteden. Dankzij onder meer de zelfstandigenaftrek betaalt een zzp’er minder belasting over zijn winst.

De overheid is al langer bezig met het afbouwen van dit voordeel voor zelfstandigen, onder meer om de fiscale verschillen tussen zelfstandigen en werknemers te verkleinen. Aanvankelijk zou de aftrek dalen naar € 3.260, maar tijdens Prinsjesdag heeft het kabinet de afbouw versneld.

Onder voorwaarden kunt u de boekwinst bij vervreemding van een bedrijfsmiddel opnemen in een herinvesteringsreserve. Hiervoor is onder andere vereist dat u op de balansdatum een voornemen heeft om te herinvesteren in een bedrijfsmiddel. De herinvesteringstermijn bedraagt in principe maximaal drie jaar na het jaar waarin u het bedrijfsmiddel heeft verkocht.

Bij de afboeking van de herinvesteringsreserve moet rekening worden gehouden met de boekwaarde-eis. Na afboeking van de reserve mag de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel niet lager uitkomen dan de boekwaarde van de vervreemde bedrijfsmiddel.

Onderhoudskosten zijn aftrekbaar in het jaar waarin de uitgaven zijn gedaan. Die aftrek kan naar voren worden gehaald door een kostenegalisatiereserve (een KER) te vormen. Dit is mogelijk als de bedrijfsuitoefening van dit jaar kosten heeft veroorzaakt, terwijl de met die kosten samenhangende uitgaven pas in een later jaar zullen worden gedaan. Voorwaarde voor de reserve is wel dat het om een substantieel bedrag aan kosten gaat.

Als u een kostenegalisatiereserve ultimo 2022 wilt opvoeren, moet u nog dit jaar voor bescheiden zorgen waarmee u die reserve kunt onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een reserve voor de kosten van toekomstig onderhoud aan uw bedrijfspand. Voor de onderbouwing van zo’n reserve kan een rapport van een aannemer of architect, met daarin de te verrichten werkzaamheden en de daarmee gemoeide kosten, goede diensten bewijzen.

U kunt de btw die u al heeft afgedragen op debiteuren die u niet heeft kunnen innen eenvoudiger terugvragen. U kunt de btw terugvragen één jaar nadat de factuur opeisbaar is geworden en nog niet is betaald. U kunt het oninbare bedrag gewoon in de aangifte omzetbelasting terugvragen, het hoeft niet meer d.m.v. een apart verzoek.

Vindt u dat u als DGA dit jaar wat extra loon heeft verdiend? Het kan fiscaal voordeliger zijn om de BV in de vorm van een dividend te laten uitkeren. Dit heeft te maken met het tariefverschil tussen de IB en het gecombineerde tarief van de dividendbelasting en vennootschapsbelasting. Ook de algemene heffingskorting en arbeidskorting spelen hierbij een rol omdat hoe hoger het loon des te minder heffingskortingen worden in aftrek genomen over de verschuldigde loonheffing/ inkomstenbelasting.

Ondernemers in de inkomstenbelasting kunnen verliezen drie jaar terug wentelen en met oude winsten verrekenen en maximaal negen jaar voorwaarts verrekenen met winst in die jaren. Voor de vennootschapsbelasting gelden afwijkende termijnen. In de vennootschapsbelasting kan een onderneming een verlies verrekenen met de winst van het voorgaande jaar en de zes volgende jaren. Na afloop van die termijnen verdampen de verliezen.

Vanaf 2022 kunnen VPB plichtige ondernemingen hun verliezen onbeperkt voorwaarts verrekenen. Er komt wel een maximum: boven de € 1 miljoen zijn verliezen nog maar voor 50 % verrekenbaar in dat jaar. De beperkingen gaan gelden voor verliezen die ontstaan na 1 januari 2022 of die aan het eind van 2021 nog voorwaarts verrekenbaar zijn.

De aanpassing houdt in dat verliezen die op of na 1 januari 2013 zijn gelden, vanaf 2022 onbeperkt voorwaarts in tijd kunnen worden verrekend.

Over de heffing over vermogen, oftewel de box 3-heffing, is de afgelopen periode zeer veel te doen.

Doordat de Hoge Raad eind 2021 het wettelijk systeem strijdig achtte met Europese regelgeving is er enerzijds herstelwetgeving opgesteld en anderzijds een overbruggingswet voorgesteld.

Vanaf 2026 moet er dan heffing over het werkelijk rendement gaan plaatsvinden.

De overbruggingswet is van toepassing vanaf 2023. De peildatum van het vermogen ligt op 1 januari . In de overbruggingswet wordt het inkomen nog steeds bepaald aan de hand van fictieve rendementen. Hierbij wordt uitgegaan van de werkelijke samenstelling van iemands vermogen verdeeld over drie verschillende categorieën

De volgende fictieve rendementen gelden voor 2022:

■ Bank- en spaartegoeden, deposito, contant geld: 0,01% (tarief 2021)

 ■ Alle overige bezittingen 5,53%

■ Alle schulden -/- 2,46% (tarief 2021)

De fictieve rendementen voor bank- en spaartegoeden, deposito en contant geld en voor schulden worden pas na afloop van het jaar vastgesteld. Voor een indicatie zijn de fictieve rendementen opgenomen die gelden voor 2021.

Voor overige bezittingen is het fictieve rendement voor 2023 vastgesteld op 6,17%.

Deze wijziging betekent dat de werkelijke samenstelling van het vermogen op 1 januari heel beslissend is. Het is voordeliger om dan spaartegoeden te hebben in plaats van overige bezittingen.  Mensen zouden vlak vóór 1 januari overige bezittingen tijdelijk kunnen omzetten in banktegoeden, omdat vervolgens kort na de jaarwisseling weer terug te switchen. Ook zou er tijdelijk een schuld kunnen worden aangegaan en het geld daarvan op de bank te parkeren. Om dit tegen te gaan geldt een anti-misbruikregeling. Grofweg betekent deze regeling dat als iemand heen en weer switcht binnen 3 maanden (en daartussen ligt 1 januari), de switch dan geacht wordt niet te hebben plaatsgevonden (tenzij zakelijke redenen kunnen worden aangetoond).

AdBark helpt je graag verder

Wil je meer weten over de wijzigingen/tips of heb nog vragen? Neem dan contact op met @Bark, we helpen je enorm graag verder, ook in 2023!

Vond je dit bericht interessant? Deel het met anderen!